15/03/2022
Een leugentje om bestwil
Ja hoor. Eindelijk hebben ze een zwakke plek weten te vinden. Want ze zijn (amateur-)stadshistorici. Na even met elkaar gemispeld te hebben – geen gefluister, maar een samenzweerderig mispelen – krijg ik de dolk in mijn rug. Dat is geen Benedenstadse boerderij, mijnheer de stadsgids. Dit is een gebouw met een geheel andere bestemming geweest. Beiden hebben het eerder al uitvoerig uitgezocht. Potje! Ik had het aan hun bleekgrijze gelaatskleur moeten zien. Dit zijn volprofessionele archiefsnuivers. Het soort onderzoeker dat dag en nacht doorbrengt onder de grond. In die duistere plek waar de waarheid woont. Volgens de archeologen van feit versus fictie was dit pand een verhuurbedrijf van paard en wagen. Gegrinnik gaat door het gezelschap. Paard, koe, wat maakt het uit... maar ik had beter moeten weten. Gewaarschuwd had ik moeten zijn door die afwezigheid van zonlicht in die twee gezichten. De twee hebben niet in de gaten dat hun protest voor geamuseerd gegniffel onder de meelopers zorgt.
En ze hebben het er niet bij laten zitten, zo blijkt. Na de Kaaisjouwerswandeling stuurt het tweetal een verontwaardigde mail naar degene die zij als mijn werkgever beschouwen. Die heb ik niet. Ik ben schipperstelg. Een baas op eigen boot. Tot twee, drie keer toe sturen ze een mail naar mijn contact bij de gemeente. Als gevolg krijg ik “mijn werkgever” in staat van lichte verwarring aan de telefoon. ‘Wat mankeert die mensen?’ vraagt ze. ‘Zijn die mensen een beetje... ja, hoe zal ik het zeggen?!” ‘Nee, dat zijn stadshistorici’, antwoord ik. Amateur-stadshistorici. De verdedigers van de absolute waarheid die te vuur en te zwaard nepnieuws bestrijden. Een regelrechte oproer heb ik tijdens de wandeling door de Benedenstad weten te vermijden. Echt waar. Want het was geen stadsboerderij waar de twee op doelden. Het bleek een verhuur van paard en wagen te zijn. Niks koeien, kippen en varkens. Paarden. Aan de feiten moet ik mij houden, zo lieten deze twee strijders voor de rechtvaardigheid weten. Ten overstaan van mijn luisterpubliek zou ik toch bijna aan de schandpaal zijn genageld; met de absolute waarheid zijn gekastijd.
‘Hoe heb ik er zo naast kunnen zitten’?! lach ik tegen mijn proostend gezelschap na afloop van de wandeling. De twee zijn niet mee naar de kroeg gelopen. Zelf denk ik dat ze weer ondergronds zijn gegaan. En ze hebben er nog wel zo effectief voor gezorgd dat ik een flink aantal boeken zou verkopen. De exemplaren van “De Kaaisjouwers, een hard leven aan de Waal” vlogen als warme broodjes over de toonbank van het café. Was de waarheid maar vaker zo leuk en gezellig.