04/06/2026
“Klederdracht uit het straatbeeld”
In 1926 schreef de auteur van het Groot-Rotterdams' tijdschrift op het voorblad ongerust over het teruglopen van streekgebonden drachten: “De Zeeuwsche kleederdracht begint helaas ook reeds meer en meer te verdwijnen.” In een tijdspanne van tien jaar was het aantal dragers van het Zeeuwse kostuum fors gedaald. De auteur was honderd jaar geleden getuige van een doorzettende trend die zou toenemen met de ontsluiting van Zeeland, de bezettingsjaren en de verwoestende vloed die als gebeurtenissen hun sporen nalieten. Daarnaast groeide de aandacht voor streekdracht als zijnde een curiositeit.
Vanuit praktisch en modieus oogpunt voelden de dragers van dracht, de mannen eerder dan de vrouwen, steeds meer voor de burgermode. De Goessche courant van 26 augustus 1924 somde de uitdaging van het fietsen in streekdracht op. De dames met een katholieke kap op de fiets poogden de zijlappen op te spelden. De protestantse kap werd aan de voorzijde met gouden spelden bijeengehouden met een touwtje dat over het voorhoofd werd gespannen, hetgeen volgens de auteur: “een mal gezicht is, en heelemaal niet afdoend." We kunnen ons voorstellen dat het fietsen met een kap op de nodige uitdagingen kende. Gelukkig voelde niet voor iedere drager de dracht als een uitdaging, een deel was ook trots en ontleende zijn identiteit aan het dragen ervan. Ook werd er gewerkt in dracht, zoals de foto van oesterwerksters uit Yerseke toont.
Inmiddels horen de zestien verschillende drachten die Zeeland rijk was tot het verleden. Het archief beheert diverse foto's van streekdrachten. Bovenal zijn de verenigingen en musea al decennialang van groot belang voor het behoud van kennis over de streekdrachten als Zeeuws erfgoed.
📸: Portret van vrouw in Zuid-Bevelandse dracht met fiets buiten tegen achtergrond met hek en groen, 1900-1920. Collectie Minnee
📸: Oesterwerksters uit Yerseke in de Zuid-Bevelandse dracht, circa 1910.
📰: Groot-Rotterdam; geïllustreerd weekblad voor Zuid-Holland en Zeeland, jrg 4, 11 juni 1926, no. 12, p. 1.