16/12/2022
In 1365 liet het stadsbestuur van Leuven, als bekroning van de bouw van de tweede stadsomwalling, het sluizencomplex de "Grote Spui" bouwen, op de plaats waar de Dijle de stad binnenkomt. De grote sluis overbrugde de Dijle met vier arcades. Het was een kunstwerk dat voor de tijd een geweldige prestatie betekende.
In de tweehonderd jaar die volgden op de bouw had de waterpoort, naast de zorg voor de waterhuishouding, vooral een defensief karakter als onderdeel van de versterking.
De stadsomwalling had tussen de huidige Kapucijnenvoer en Naamsepoort echter geen muur zoals rondom de rest van de stad, maar bestond uit een bijna 8m hoge aarden wal, met daarvoor een brede gracht die gevuld was met water van de Dijle.
Halverwege de 16de eeuw moet het complex schade geleden hebben, want de linkertoren heeft sinds de prenten van die tijd geen dak (meer). De dakverdieping werd her- en verbouwd, inclusief bakstenen verfraaiingen aan veldzijde, zoals een statige dakkapel.
De volmolen werd in 1559 opgericht achter de eerste arcade en zou bijna 300 jaar deze functie behouden. De Tolkamer verleende op 12/6/1559 het gewoon octrooi mits "eenen jaerlijcxschen chys van twee Carolusguldens tot twintich stuvers stuck", te betalen op Kerstmis.
In 1837 werd de Volmolen in graanmolen omgevormd, en nadien vergroot (enorm verhoogd) tot heuse fabriek, maar ging op 21 mei 1888 in vlammen op.
Van de constructie die oorspronkelijk bekend stond als de Grote Spui en die uiteindelijk via de vol- en ijzermolens uitgroeide tot een indrukwekkend fabriekscomplex, is vandaag voornamelijk het gedeelte bewaard dat vroeger de waterpoort uitmaakte.
De Grote Spui werd op 23 oktober 2009 beschermd als monument, omwille van zijn historische (overblijfsel tweede stadsomwalling) en industrieel-archeologische (sluizen en watermolens) waarde.
Nu blijft enkel nog de plaatsnaam herinneren aan de pogingen, die door de wethouders van het Oud Regime in het werk gesteld werden om de Leuvense lakennijverheid te doen herleven.