02/02/2026
๐ฏ๐๐ ๐บ๐๐๐๐๐
Toponymie of plaatsnaamkunde probeert de benamingen te verklaren die mensen in het verleden hebben gegeven aan steden, dorpen, rivieren en andere geografische locaties om inzicht te krijgen in de geschiedenis, cultuur en taal van een gebied. Soms is dit eenvoudig maar dikwijls ook niet en vaak gissen we er maar op los.
In mijn post van 6 november over โEen jonge Korbeekse held tijdens de strenge winter van 1890-91โ kan je de volgende beschrijving van de toenmalige gemeentesecretaris lezen:
โIn deze overstrooming heeft de genaamde Jozef De becker van deze gemeente bijna het leven verloren tusschen de Dijlebrug en het Specht als hij wilde van Oud-Heverlรฉ naar Corbeek-Dijle komen.โ
Nieuwsgierig naar de vermelding van de plaatsnaam โHet Spechtโ, ging ik op zoek naar de locatie. Uit de beschrijving kunnen we opmaken dat we de plaatsnaam langs de zuidoostelijke flank van de Dijlevallei onder Oud-Heverlee moeten zoeken. Dit valt buiten ons heemkundig interessegebied maar de vermelding vraagt verduidelijking. Korbekenaren moesten er trouwens sowieso voorbij om in Oud-Heverlee te komen.
Tot mijn grote teleurstelling was het tevergeefs zoeken naar een vermelding op oude kaarten. De Geschied- en Heemkundige Kring Oud-Heverlee kan hier misschien duidelijkheid verschaffen.
Op kaarten van P.C. Popp (1842-79) vinden we ten noorden van de kruising Bogaardenstraat met de Ophemstraat de vermelding โBisse Bemdeโ. Dit kan verwijzen naar een plaats waar biezen groeien op vochtige grond. Scirpus lacustris was de meest gebruikte soort in de biezenteelt en werd benut voor het maken van biezen manden, vloermatten en zittingen van stoelen. Ook andere materialen zoals tenen en riet werden door ambachtslieden gebruikt.
De topografische kaart uit 1891 geeft inderdaad enkel beemden weer ten oosten van de Leibeek waar vandaag vooral bomen (eik) staan.
Op een kaart van Oud-Heverlee uit het kaartenboek van de abdij van Park (1652-1663) zien we de plaatsnaam โDe Kelleโ (kuil?) waar โden eerden wechโ (Boogaardenstraat) een hoek van negentig graden maakt. Hier loopt het grondniveau steil omhoog. Langs beide zijden van de Ophemstraat (bezitting 146 en 147) zien we twee waterparijen. In 1763 bestonden ze nog. Vandaag zijn deze verdwenen en groeit er rijs- en hakhout (wilgenbosje).
Wat kan de verklaring zijn voor de plaatsnaam โHet Spechtโ?
Op de site van het instituut voor de Nederlandse taal vinden we de spelling โSpichtโ. Spichten was vroeger de benaming voor ranke gewassen (riet of gras) of takkenbossen. In de huidige Nederlandse taal vinden we dit nog terug in het woord โspichtigโ voor slanke of tengere personen. Af te leiden van het niet overgeleverde Germaans *spichta- of *spichti- โspaak, dunne latโ.
In de vallei van de Molenbeek te Lubbeek vinden we een natuurgebied met de naam โDe Spichtโ. Het landschap is een afwisseling van hoger gelegen droge graslanden en lager gelegen kwelrijke gedeelten en vormt een historisch waardevol laagveenmoeras met rietland, open waterpartijen en broekbossen.
Ondanks het veranderde landschap met de aanleg van de spoorlijn Leuven-Ottignies in 1855 treffen we dit zeker ook hier in de Dijlevallei aan. Het is aannemelijk dat โSpechtโ en โSpichtโ naast elkaar bestonden en zowel betrekking hadden op de verschillende soorten rijzige moerasplanten als op rijs- en hakhout. Zo zijn heel wat woorden afgeleid van dit Oergermaanse woord. De Specht heeft door zijn spitse snavel zijn naam hieraan ontleend.
Vergelijkbare woorden voor lang en smal die beginnen met sp- zijn: spaak, spar, speer, spie, spies, spijker (nagel), spijl, spit, spitten, spits, spork, spurk. Zo zijn er ook talrijke woorden met de betekenis โstaak, stok, paalโ enz. die beginnen met st-, ook werkwoorden voor โstutten, stotenโ.
Voor WOII speelden biezen en hout een uiterst belangrijke rol in het leven van alledag. Hout was niet alleen brandstof maar ook รฉรฉn van de belangrijkste grondstoffen. Het omliggende landschap was daarvoor een natuurlijke rijkdom. Hout werd gebruikt voor het maken van vlechtwerk, huizen, meubels, transportmiddelen en heel wat werktuigen. Biezen werden gebruikt in vlechtwerk. Bijna alle vakmannen maakten er gebruik van, o.a. de boomkapper, de berdzager, de klompenmaker, de schoenmaker (houten leest), de bezembinder, de schrijnwerker en de timmerman, de meubelmaker, de stoelenmaker gebruikte hout en biezen voor stoelen, de rader- en wagenmaker, de kuiper en de reepsnijder, de kistenmaker, de mandenmaker... Daarom waren in bijna elk dorp รฉรฉn of meerdere houtbewerkers actief. Omdat voor vele handwerktuigen het hout niet te dik mocht zijn, zorgde men ervoor dat er hout voorradig was dat makkelijk opschoot. Hier aan de moerassige oevers van de Leibeek vond men beemden met biezen en houtbosjes (knotbomen) waar dit soort rijs- en hakhout werd gewonnen. In het Gemeentebos in Bertem kan je dit vandaag nog waarnemen. Hardhout voor sterke werktuigen waren eik-, iep- robinia- of essenhout, zachte houtsoorten waren abeel, hazelaar, beuk, wilg en lindehout.
Los daarvan wist dorpsgenoot Jos Vanneck me te vertellen dat de huidige Leibeek (kant Oud-Heverlee) in de volksmond ook wel Spekbeek genoemd wordt. Ook deze benaming kon ik nergens bevestigd zien. Op een kaart uit 1763 van de familie Arenberg met de grenzen van de diverse eigendommen die gesitueerd zijn tussen de Dijle en de Leibeek, werd naast Leibeek tot mijn verrassing nog anders genoteerd, nl., Walslaecker. Dit moet een nog oudere benaming zijn.
Verklaring van โLeibeekโ
Lei, leide, leibeek, leigracht, leiloop, leisloot. Nederlands lee, lei, leide, uit Mnl. lede, leide, behoort bij het werkwoord leiden. Lei komt als eerste lid zeer dikwijls in samenstellingen voor en dan vooral in Vlaams-Brabant. Het is een dikwijls lijnrechte kunstmatig gegraven afwateringsgracht in een moerassig terrein en dikwijls een afleidingsbeek bij een grote rivier. In de Dijlevallei zijn ze legio. Opvallend met deze Leibeek/Walslaecker/Spekbeek in Oud-Heverlee is dat ze niet zo rechtlijnig is als je zou verwachten. Het moet hier dus over een zeer oude gegraven afleidingsbeek gaan, mogelijks van een eerder bestaand veenloopje. In de middeleeuwen werden in opdracht van abdijen, kloosters of landadel moerassen drooggelegd om ze te cultiveren.
Verklaring van โWalslaeckerโ
Laak, mnl. lake betekent in het algemeen een stilstaand of langzaam stromende wetering, poel of plas. Dit woord komt sterk geconcentreerd voor als bijrivieren van de Demer, beide Neten, de A en de midden- en benedenloop van de Dijle. Laak, lach, is ook bekend in Duitsland. Laak komt van het Germaans *lako, net als het bn. *laka โlekโ met ablaut afgeleid van het werkwoord *leka โlek zijn, lekkenโ, dat teruggaat op de IE wortel *leg- โdruppelen, sijpelen, smeltenโ. Net als Leibeek is het een kunstmatig gegraven afwateringsgracht of riviertje dat door veengebied loopt en oorspronkelijk werd gegraven om natte gebieden te ontwateren en droog te leggen (voor de veen of turfontginning). Dit zou kunnen kloppen met de lagergelegen Dijlebroeken en haar laagveenmoerassen waar, zoals in Korbeek-Dijle, turf ontgonnen werd. De oudst teruggevonden vorm dateert uit 1400, groote lake (Werchter).
Van โWalsโ is de etymologie onbekend. Naar de vorm een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis โWaalsโ, afkomstig uit Walloniรซ. Het is echter twijfelachtig of deze afwatering tot daar terug te leiden valt. Wel loopt ze aan het Zoet Water onder de Vaalbeek door.
Verklaring van โSpekbeekโ
Spek, sp*k: Mnl. specke, spicke. Uit het germaans *spakkjรดn. โUit rijshout, zand en zoden gemaakte brug in een moerassig gebiedโ. Meestal werd een dergelijke, ook wel met boomstammen gemaakte brug aangelegd op plaatsen waar men geregeld met de kar over het water moest, vooraleer men de kennis en het geld had om dit met stenen te doen. Laat de overgang tussen Korbeek-Dijle en Oud-Heverlee nu net deze eigenschappen hebben. Een laaggelegen, moerassig gebied met een doorsteek over de Dijle die in vroeger tijden belangrijk genoeg was na Leuven.
Vgl. de Duitse Speck-waternamen. In Veltem-Beisem vinden we het Speckbosch dat aanleunt bij het Kastanjebos en reeds werd aangeduid op de kaarten van Ferraris uit 1777.
Besluit:
Het relaas dat secretaris F.G. Cappuyns doet over de weersomstandigheden in de winter van 1891 en de daaruit voortvloeiende belevenissen van enkele dorpsgenoten doet ons vandaag kennismaken met woorden die zo goed als uit het collectieve geheugen zijn verdwenen en waarvan de betekenis niet meer duidelijk is. Gelukkig kunnen we terugvallen op overlevering, oude kaarten en etymologische woordenboeken die ons in staat stellen om aan die rijke woordenschat een verklaring te geven. Zo kunnen we ons vandaag een beeld vormen hoe de mens met veel moeite de natuur en het landschap naar zijn hand heeft gezet om het in zijn voordeel te gebruiken.
Bronnen:
- https://www.etymologiebank.nl/
- De Vlaamse waternamen Deel I: De provincies Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
- https://www.dbnl.org/tekst/_ver025195101_01/_ver025195101_01_0017.php
- 50 oude ambachten uit het landelijke Brabant, Henri Vannoppen, 1979