06/01/2026
De winter heeft de verbouwing flink vertraagd. De woning staat nog half open en de kou trekt er zonder moeite doorheen. Al weken ben ik bezig met de voorbereidingen voor het storten van het schuimbeton. In theorie lijkt dat eenvoudig: oude vloer eruit, schuimbeton erin. Maar zodra je begint te graven, blijkt de werkelijkheid altijd complexer.
Onder het zand kwamen oude poeren, stiepen en veel puin tevoorschijn. Samen met Ruben en een kameraad heb ik alles uitgegraven en afgevoerd. Op sommige plekken bleek de ondergrond te bestaan uit een instabiele mix van aarde en veen. Die stukken heb ik verwijderd en aangevuld met woudzand, dat na het trillen veel compacter blijft liggen dan gewoon geelzand. Voor mij moet de ondergrond absoluut stabiel zijn: geen slappe plekken die later kunnen verzakken en geen verhogingen die scheuren kunnen veroorzaken. Een plaat van 64 m² schuimbeton van een halve meter dik zal niet snel zakken, maar een goede voorbereiding voorkomt problemen.
Tijdens het uitgraven kwamen ook constructieve gebreken aan het licht. Ik wist al dat er scheuren in de muren zaten die ik grondig wilde herstellen. Eerst heb ik alle oude ijzeren roosters en het kelderraam verwijderd. Daarna heb ik de beschadigde stukken metselwerk — zowel binnen als buiten — volledig uitgeslepen en opnieuw opgebouwd. Met murfor heb ik nieuwe, sterke lateien gecreëerd die de belasting beter verdelen.
Het huis heeft een merkwaardige fundering: één zijde rust op gemetselde bogen, de andere op losse stiepen. Waarom dat destijds zo is uitgevoerd blijft een raadsel. Bogen werden vroeger gebruikt om materiaal te besparen of om zwakke grond te overbruggen, maar waarom slechts een deel van het huis zo is gebouwd, is moeilijk te verklaren. De stiepen onder de buitenmuur hadden bovendien veel tussenruimte, waardoor ze nauwelijks steun boden voor het toekomstige schuimbeton. Ik wilde het structureel goed aanpakken — voor mezelf én voor wie hier later woont.
Mijn vader zei vroeger altijd: **“Dat huis staat er al honderd jaar, en als je er niet aan gaat zitten prutsen, staat het er over honderd jaar nog.”**
Met die gedachte in mijn achterhoofd, en met de kennis die ik inmiddels heb opgedaan, heb ik mijn plannen voorgelegd aan een oude vakman die nog met mijn vader heeft gewerkt. Daarna heb ik besloten om delen van de fundering te verbeteren.
Op de plek waar een scheur doorliep van binnenmuur naar buitenmuur, heb ik twee stiepen om en om verwijderd. De bovenste stenen heb ik met de zaag losgemaakt, de rest kon ik met de hand weghalen. De onderste stiep heb ik laten zitten. Op die basis heb ik nieuwe muurtjes gemetseld, versterkt met murfor, zodat de belasting van de muur beter wordt opgevangen.
De overige stiepen heb ik iets dieper uitgegraven, schoongespoeld en voorzien van kleine verzetjes voor betere hechting. Tussen de stiepen heb ik piepschuim mallen geplaatst en daarop nieuwe gemetselde bogen gemaakt. Waar de ruimte te klein was voor een boog, heb ik de opening volledig dichtgemetseld. Zo is de hele funderingslijn nu stabiel en gesloten.
Voor dit werk moest ik de volledige fundering aan de buitenkant vrijgraven. De vervuilde grond vol puin en glas heb ik apart gehouden om later te zeven. Net voor de vorst heb ik het laatste stuk funderingsmuur dichtgemaakt. Toen realiseerde ik me dat de riolering bloot lag, dus heb ik die snel afgedekt met geelzand om bevriezing te voorkomen.
De waterleiding — een tijdelijke koperen leiding die door de gevel naar binnen liep — was helaas wél bevroren. Op tweede kerstdag hebben we samen, stap voor stap, de leiding ontdooid met een straalkachel. Daarna hebben we hem zorgvuldig geïsoleerd met schuimbuis, oude gordijnstroken en piepschuim. Sindsdien is hij niet meer bevroren.
We leven voorlopig in de schuur. Koken doen we met dikke kleding aan, want de schuur is net zo koud als buiten. Alleen de afgetimmerde woonruimte is behaaglijk warm. Klussen in de schuur is daardoor beperkt tot het hoogstnodige.
Toch ben ik daar begonnen aan een nieuwe klus: het maken van een 2,5 meter lange mal om zelf betonnen raamdorpels te gieten. Ik heb eerder grote mallen gemaakt — onder andere voor drie zware blokken van 200 kilo — dus dit project past goed bij mijn ervaring. Raamdorpels zijn duur, zeker als je er dertig nodig hebt voor zowel huis als schuur. Door ze zelf te maken bespaar ik honderden euro’s, en ik kan ze precies op maat gieten.
# # # **Benodigdheden voor de raamdorpels:**
- een kar zand (35–40 euro)
- zakken cement (6–7 euro per stuk)
- betonstaven van de ijzerboer
- glasvezel
- kleurstof
- toevoegingen voor vloeibaar en glad beton
- waterglas voor waterbestendigheid
- betonplex voor de mal (ongeveer 50 euro)
De totale kosten komen rond de tweehonderd euro uit. Tijd reken ik niet mee; het gaat mij om kwaliteit en vakmanschap. Zodra de mal klaar is, kan ik de dorpels in series gieten, precies in het tempo dat de verbouwing toelaat.
Wanneer de vorst weg is en de temperatuur weer stabiel boven de vijf graden komt, kan ik de laatste openingen in de muur dichten, de PIR-platen plaatsen, de folie aanbrengen en de kubieke meters schuimbeton definitief laten uitrekenen. Maar eerst moet de lekkende en verrotte dakkapel nog worden verwijderd — want zodra het schuimbeton ligt, wil ik absoluut geen water meer binnen krijgen.
Het is veel werk, vaak zwaar en soms frustrerend, maar elke stap brengt het huis dichter bij een solide, warme en toekomstbestendige basis. En dat is het allemaal waard.